Skip to main content

Slapende dienstverbanden, het uitgangspunt en de uitzondering van de Xella-beslissing. De Hoge Raad komt met een verduidelijking van de in de Xella-beslissing genoemde uitzondering.

21 maart 2024

Uitgangspunt na Xella

Zoals bekend is door de Hoge Raad in de Xella-beslissing (ECLI:NL:HR:2019:1734) als uitgangspunt bepaald dat een werkgever, die een langdurig zieke werknemer in dienst heeft die de periode van 104-weken ziekte heeft volgemaakt, een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsrelatie moet accepteren onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijk transitievergoeding. Hiertoe is de werkgever verplicht op grond van het goed werkgeverschap. De vergoeding behoeft niet meer te zijn dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst na verloop van de wachttijd (de 104-weken, tenzij loonsanctie).

Dit is na de Xella-beslissing praktijk geworden ter voorkoming van het aanhouden van zogeheten “slapende dienstverbanden”. Dit zijn dienstverbanden met werknemers die langdurig ziek zijn, maar waarvan de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever na die 104-weken in principe is opgehouden. Deze werknemers verrichtten geen werkzaamheden en ontvangen geen loon van de werkgever. Door de werknemer toch in dienst te houden is de werkgever geen transitievergoeding verschuldigd. De Xella-beslissing beoogde aan deze praktijk een einde te maken.

Uitzondering na Xella

Op dit uitgangspunt is in de Xella-beslissing een uitzondering gegeven. De werkgever mag het voorstel van de werknemer weigeren als de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van de arbeidsovereenkomst. Zo’n belang kan bijvoorbeeld gelegen zijn in reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer. Zo’n belang kan niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werknemer op het moment dat hij zijn beëindigingsvoorstel doet, de pensioengerechtigde leeftijd bijna heeft bereikt.

Verduidelijking van de uitzondering

In haar uitspraak van 15 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:400) heeft de Hoge Raad het beoordelingsmoment van de uitzondering verduidelijkt. Wat speelde hier?

Een werknemer was ruim 32 jaar in dienst bij de werkgever als docent. In maart 2016 is de werknemer uitgevallen wegens arbeidsongeschiktheid. De werkgever heeft (na een loonsanctie) het loon doorbetaald tot 7 maart 2019. Sindsdien heeft de werknemer niet meer gewerkt en heeft de werkgever geen loon meer betaald. Op 7 juni 2019 verzoekt de werknemer de werkgever het dienstverband te beëindigen onder toekenning van de transitievergoeding ter hoogte van € 81.000,- bruto. De werkgever stemt hiermee niet in en kondigt aan opnieuw de arbeidsmogelijkheden te onderzoeken, gelet op de restverdiencapaciteit van de werknemer en de verwachting dat de belastbaarheid zal verbeteren. Op 1 juli 2020 eindigt de arbeidsovereenkomst omdat de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

In deze zaak wordt geklaagd dat het hof bij de beoordeling of de werkgever een gerechtvaardigd belang had bij de instandhouding van de arbeidsovereenkomst wegens aanwezigheid van reële re-integratiemogelijkheden voor de werknemer, ten aanzien van de peildatum ten onrechte is uitgegaan van de datum waarop de werknemer het beëindigingsvoorstel heeft gedaan (7 juni 2019). Volgens de werknemer had dit de datum moeten zijn waarop het dienstverband van de werknemer slapend is geworden (7 maart 2019).

De Hoge Raad geeft hierover duidelijkheid: de beoordeling van het gerechtvaardigd belang dient plaats te vinden naar het moment dat de werknemer het voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een transitievergoeding heeft gedaan. Pas wanneer de werknemer een dergelijk voorstel doet, kan de werkgever uit hoofde van het goed werkgeverschap gehouden zijn hiermee in te stemmen. Bij de beoordeling dienen ook, voor zover van belang, feiten en omstandigheden te worden betrokken die zich voor of na dat moment hebben voorgedaan.

Afsluitend

Kortom, pas op het moment dat de werknemer een verzoek tot beëindiging van de arbeidsrelatie onder toekenning van een transitievergoeding doet, wordt gekeken waartoe de werkgever op grond van het goed werkgeverschap verplicht is. Met deze duidelijkheid geeft de Hoge Raad iets meer invulling aan de vraag hoe om te gaan met de Xella uitzondering.

Gepubliceerd op LinkedIn, 21 maart 2024

Nieuws & Kennis

AlgemeenWorkshops en opleidingen
25 februari 2026

Cursus ZW-ERD: do’s & don’ts op 2 juni 2026

JTVCc2hvd3NjYXRzJTVEBen jij arbo professional zoals bedrijfsarts, arbeidsdeskundige of casemanager en werk je met ZW-ERD-dossiers? Dan weet je dat deze dossiers…
AlgemeenArbeidsomstandigheden & VerzuimArbeidsrechtDilemma VrijdagRechtspraakSamantha KranenburgSociale zekerheidZiekte en verzuim
20 maart 2026

Dilemma vrijdag: handel je als werkgever ernstig verwijtbaar als je het re-integratietraject niet goed vormgeeft?

JTVCc2hvd3NjYXRzJTVE 𝐉𝐞 𝐰𝐞𝐫𝐤𝐧𝐞𝐦𝐞𝐫 𝐯𝐚𝐥𝐭 𝐮𝐢𝐭. 𝐃𝐞 𝐛𝐞𝐝𝐫𝐢𝐣𝐟𝐬𝐚𝐫𝐭𝐬 𝐚𝐝𝐯𝐢𝐬𝐞𝐞𝐫𝐭 𝐝𝐫𝐢𝐞𝐠𝐞𝐬𝐩𝐫𝐞𝐤𝐤𝐞𝐧 𝐞𝐧 𝐛𝐞𝐝𝐫𝐢𝐣𝐟𝐬𝐦𝐚𝐚𝐭𝐬𝐜𝐡𝐚𝐩𝐩𝐞𝐥𝐢𝐣𝐤 𝐰𝐞𝐫𝐤. 𝐉𝐢𝐣 è𝐧 𝐝𝐞 𝐰𝐞𝐫𝐤𝐧𝐞𝐦𝐞𝐫 𝐡𝐞𝐛𝐛𝐞𝐧 𝐫𝐞𝐝𝐞𝐧𝐞𝐧 𝐨𝐦 𝐝𝐢𝐭…
AlgemeenArbeidsomstandigheden & VerzuimArbeidsrechtMehtap Melo-KocyigitRechtspraak
19 maart 2026

Proeftijd van start vóór de eerste werkdag

JTVCc2hvd3NjYXRzJTVEProeftijdontslag blijft een onderwerp dat in de praktijk regelmatig tot misverstanden leidt. Veel werkgevers en werknemers gaan ervan uit dat…