Uitspraken Regionale Tuchtcolleges bij Bedrijfsartsen

Een belangrijk doel van tuchtzaken is dat uitspraken leerpunten opleveren voor beroepsbeoefenaren. We bespreken hier een aantal zaken met betrekking tot het handelen van bedrijfsartsen die tussen 1 juli 2018 en 1 juli 2019 ter beoordeling aan de tuchtcolleges zijn voorgelegd. Gepubliceerde uitspraken van tuchtzaken in deze periode hebben wij bestudeerd en geanalyseerd. Regionale Tuchtcolleges hebben recent uitspraken gedaan over taakdelegatie, supervisie en het voeren van de titel Bedrijfsarts, schending van het beroepsgeheim en onheuse bejegening door bedrijfsarts. We vatten deze tuchtzaken kort samen en sluiten af met een opmerkelijke klacht.

Taakdelegatie, supervisie en voeren titel ‘Bedrijfsarts’
Artikel 17 lid 1 Wet BIG bepaalt dat het recht om een specialistentitel te voeren voorbehouden is aan degenen die zijn ingeschreven in het desbetreffende erkende specialistenregister. De titel van Bedrijfsarts valt onder die bescherming. Artsen die niet bevoegd zijn deze titel te voeren, mogen zich slechts (arbo)arts noemen (1). Wel mogen deze artsen handelingen verrichten op het terrein van de bedrijfsarts, mits die handelingen onder taakdelegatie (ook wel supervisie genoemd) van een geregistreerd bedrijfsarts plaatsvinden en zij dit kenbaar maken aan werkgever en werknemer (2).
Op 10 juli 2018 deed het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam (ECLI:NL:TGZRANS:2018:81) uitspraak over een klacht tegen een bedrijfsarts in opleiding. Klaagster verweet verweerster onder andere dat zij zich zou hebben voorgedaan als bedrijfsarts, terwijl zij bedrijfsarts in opleiding was. Het college constateerde echter dat verweerster zich overeenkomstig het hiervoor genoemde uitgangspunt had gedragen. Verweerster had de door haar geschreven brieven steeds ondertekend met ‘arts’, terwijl ook overigens niet was gebleken dat verweerster zich gepresenteerd zou hebben als bedrijfsarts. Verweerster had voorts steeds onder supervisie van een bedrijfsarts bedrijfsarts-opleider gewerkt en zij had ter zitting uitgelegd dat zij lastige casussen met haar opleider besprak, elke week een leergesprek had met haar supervisor-opleider en dat zij bepaalde casuïstiek doorsprak. Het college benadrukte in dit verband dat het op het moment van de beoordeling van de klacht nog niet de plicht van een bedrijfsarts in opleiding was dit expliciet op een (eerste) spreekuur te vermelden (2 ). Dat de aan klaagster verzonden uitnodigingen voor de gesprekken met verweerster ‘Uitnodiging bedrijfsarts’ vermeldden, was wellicht verwarrend, maar kwam naar het oordeel van het college niet voor rekening van verweerster. Deze uitnodigingen waren immers door de werkgever van klaagster verzonden. Verweerster kon op dit punt dan ook geen verwijt worden gemaakt. Het Regionaal Tuchtcollege verklaarde de klacht in alle onderdelen ongegrond en wees de klacht af. Klaagster ging tegen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege in beroep bij het Centraal Tuchtcollege. Recentelijk heeft het Centraal Tuchtcollege het beroep van klaagster verworpen (zie ECLI:NL:TGZCTG:2019:151).

De twee volgende zaken liepen voor de artsen in kwestie minder goed af.
In de eerste zaak, die eveneens werd behandeld door het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam (ECLI:NL:TGZRAMS:2018:123), was de klacht gericht tegen een arts die zich onterecht zou hebben uitgegeven als bedrijfsarts. Het college oordeelde met betrekking tot deze klacht dat verweerder, ondanks dat hij in het BIG-register stond geregistreerd als arts en niet als bedrijfsarts, gezien de werkzaamheden die hij verrichtte, de indruk had gewekt dat hij bedrijfsarts was. Bovendien had hij verslagen ondertekend met zijn naam en daaronder de woorden: ‘functie bedrijfsarts’, hetgeen naar het oordeel van het college die indruk alleen maar had versterkt. Naar het oordeel van het college had verweerder bij klager ten onrechte de indruk gewekt dat hij bedrijfsarts was en daarmee zelfstandig bevoegd werknemers te begeleiden bij re-integratie en verzuim. Dit laatste was volgens het college onzorgvuldig, nu verweerder niet zelfstandig bevoegd was en het college ook niet kon vaststellen dat verweerder onder supervisie van een bedrijfsarts werkte, zoals verplicht is. Naast deze klacht, werd de arts ook verweten dat hij gehandeld had in strijd met zijn beroepsgeheim, waarover hierna meer. Het college verklaarde de klachten gegrond en legde verweerder een berisping op. In een andere uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam (ECLI:NL:TGZRAMS:2019:68) ging de klacht eveneens over het handelen van een bedrijfsarts in opleiding. Verweerder had in zijn hoedanigheid van (basis)arts (in opleiding tot bedrijfsarts) ten onrechte klaagster, werkneemster, begeleid, zonder dat gebleken was van supervisie door een bedrijfsarts. Verweerder zou zich jegens klaagster hebben voorgedaan als bedrijfsarts. Net als in de voorgaande zaak, had ook deze arts zijn medisch beroepsgeheim tegenover klaagster geschonden door informatie over klaagster aan haar werkgever te sturen. Verweerder had volgens het college daardoor op meerdere wijzen het vertrouwen dat klaagster mocht en moest hebben in hem als medisch beroepsbeoefenaar geschonden. Daar kwam bij dat verweerder geen enkele erkenning, laat staan spijt, van dit falen had geuit. Integendeel, verweerder benadrukte bij het college keer op keer dat de discussie in de kern zou moeten gaan over de vraag of hij kwalitatief goede gezondheidszorg had geleverd aan klaagster, hetgeen hij gezien zijn jarenlange ervaring als arts, tevens in het verleden als bedrijfsarts, zonder enige tuchtrechtelijke klacht volgens hemzelf had gedaan. Volgens verweerder maakte het voor klaagster dan ook niet uit of hij wel of niet formeel nog in opleiding was. Volgens het college miskende verweerder hiermee de essentie van de tuchtrechtelijke verwijten die hem gemaakt werden, te weten het onterecht hanteren van een beschermde titelaanduiding en het schenden van zijn verantwoordelijkheid om zich te houden aan de hiervoor aan de orde gekomen normen binnen zijn beroepsgroep, die juist temeer gezien verweerders staat van dienst bij hem bekend mochten worden verondersteld. Verweerder leek ervan overtuigd dat voor hem, gezien zijn ervaring, deze regels niet golden. Dit alles was voor het college aanleiding om verweerder een berisping op te leggen.

Privacy – schending beroepsgeheim
Van de 12 gepubliceerde klachten die de Regionale Tuchtcolleges tussen 1 juli 2018 en 1 juli 2019 behandelden over de schending van het beroepsgeheim, werden er negen (75%) gegrond verklaard en drie ongegrond. In de hiervoor besproken uitspraken van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam over de artsen die zich ten onrechte hadden uitgegeven als bedrijfsarts en die uiteindelijk werden berispt, werd de artsen ook verweten dat zij hun beroepsgeheim hadden geschonden, doordat zij medische gegevens hadden doorgestuurd aan de werkgever, zonder daarvoor toestemming te hebben ( ECLI:NL:TGZRAMS:2018:123 en ECLI:NL:TGZRAMS:2019:68). Het college was van oordeel dat beide artsen ook hierdoor verwijtbaar hadden gehandeld. Er was niet gebleken van een uitzonderingssituatie om gezondheidsgegevens over een werknemer aan de werkgever te verstrekken. De verstrekte informatie was niet noodzakelijk voor de re-integratie van de zieke werknemers en evenmin voor de bepaling van de verplichting tot loondoorbetaling. Dit droeg bij aan de totstandkoming van de opgelegde maatregel, namelijk een berisping.

Zowel het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven als het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle hebben geoordeeld over een klacht die verband hield met de schending van het beroepsgeheim en het onderscheid tussen het verzuimspreekuur en het arbeidsomstandighedenspreekuur of vrijwillig consult.
Bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven (ECLI:NL: TGZREIN:2018:77) werd de bedrijfsarts onder meer verweten dat hij klaagster binnen enkele minuten arbeidsgeschikt had verklaard zonder haar op het spreekuur te hebben gezien. Daarnaast zou hij zijn beroepsgeheim hebben geschonden. Het college overwoog dat er een verschil is tussen het arbeidsomstandighedenspreekuur en het verzuimspreekuur. De bedrijfsarts had nagelaten zich te vergewissen of de status van het spreekuur duidelijk was voor klaagster. Klaagster dacht dat zij op het arbeidsomstandighedenspreekuur kwam; in dat geval mocht de bedrijfsarts geen informatie delen met klaagsters werkgever. Nu de bedrijfsarts wel informatie had gedeeld, zal hij gehandeld hebben in het kader van verzuimbegeleiding. De door de bedrijfsarts richting de werkgever gebruikte kwalificaties ‘scherp’ en ‘persoonlijk’ vallen niet onder gegevens die de bedrijfsarts mocht doorgeven aan de werkgever: er was dus sprake van een schending van de geheimhoudingsplicht. De bedrijfsarts plaatste klaagsters verzuim te snel in het kader van een arbeidsconflict terwijl hij klaagsters gezondheidssituatie eerst medisch had moeten beoordelen. Niet gebleken was dat de bedrijfsarts dat in voldoende mate had gedaan. De klacht werd gedeeltelijk gegrond verklaard en de bedrijfsarts kreeg een berisping.
In de zaak bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle (ECLI:NL:TGZRZWO:2018:163) bezocht klaagster de bedrijfsarts voor een vrijwillig consult. Verweerster had vervolgens ten onrechte over dit consult gerapporteerd aan de werkgever. Het ging om een arbeidsomstandighedenconsult en niet om een verzuimconsult. Met de terugkoppeling aan de werkgever had de bedrijfsarts haar beroepsgeheim geschonden. Verder had de bedrijfsarts klaagster niet voldoende gelegenheid gegeven om haar verhaal te doen. De klacht werd gegrond geacht en aan de bedrijfsarts werd een waarschuwing opgelegd.

Onheuse bejegening
Soms lopen de gemoederen tijdens een spreekuur hoog op. Het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle (ECLI:NL:TGZRSGR: 2019:10) moest oordelen over een klacht op grond van onheuse bejegening door een bedrijfsarts. De belangrijkste klacht in deze zaak ging over de communicatie en de bejegening van klaagster door verweerder tijdens een bepaald spreekuur. Het college overwoog dat verwijten over mondelinge communicatie moeilijk te beoordelen zijn door het college dat van de communicatie op die dag immers geen getuige is geweest. In dit geval had er naar aanleiding van de klacht een telefoongesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder, waarvan een geluidsopname was gemaakt. Dit telefoongesprek zou representatief zijn voor hoe de communicatie tijdens het spreekuur was verlopen. Verweerder had tijdens het spreekuur kritische vragen gesteld over de belastbaarheid van klaagster ten behoeve van de WIA-aanvraag en het actueel oordeel dat moest worden opgesteld. Klaagster had het spreekuur ervaren als een kruisverhoor. Zij vond de vragen niet kritisch, maar suggestief. Het college overwoog dat verweerder als bedrijfsarts de taak heeft om werknemer en werkgever te adviseren. De bedrijfsarts beoordeelt op basis van het gesprek met de werknemer en op basis van zorgvuldig onderzoek de medische gronden voor de arbeids(on)geschiktheid van de werknemer en geeft advies over belastbaarheid en de mogelijkheid tot werkhervatting. Het stellen van kritische vragen hoort bij het onderzoek dat de bedrijfsarts moet verrichten en bij zijn adviserende taak. Dat geldt temeer als werkgever en werknemer over de inzetbaarheid van mening verschillen, zoals in het geval van klaagster aan de orde was. Dat verweerder daarbij te ver was gegaan in zijn kritische houding, kon het college niet vaststellen. Van een onheuse bejegening, waarvan verweerder een tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt, was naar het oordeel van het college geen sprake. De klacht werd ongegrond verklaard en afgewezen.

Opmerkelijke klacht
Opmerkelijk is een klacht van een bedrijfsarts tegen een verzekeringsarts in opleiding, omdat die een andere mening was toegedaan dan de bedrijfsarts (ECLI:NL:TGZRZWO:2019:38). De klager had in opdracht van de werkgever bedrijfsgeneeskundige zorg verleend aan een werkneemster. In dat kader had klager onder meer de medische informatie bij het re-integratieverslag opgesteld. In het kader van de WIA-beoordeling had verweerder het re-integratieverslag beoordeeld. Tussen klager en verweerder bestond een verschil van mening in het kader van het door klager gegeven oordeel Geen Benutbare Mogelijkheden. Verweerder kwam tot de conclusie dat klager de werkneemster niet adequaat had begeleid en de functionele mogelijkheden en de prognose hiervan niet adequaat had ingeschat. Klager verweet verweerder dat hij een medische beoordeling had gedaan die niet is conform hetgeen wat van een arts mag worden verwacht. Uit de rapportage van verweerder zou niet blijken wat de overwegingen waren om af te wijken van de beoordeling van de revalidatiearts en klager. Het eigen belang van de klager lag erin dat hij door verweerder zou worden afgeschilderd als een collega die het niet goed had gedaan (met alle (financiële) gevolgen van dien). Het college overwoog allereerst dat voor behandeling van de klacht vereist is dat klager klachtgerechtigd is. Dat was klager niet op grond van artikel 65 lid 1 Wet BIG. Het college vervolgde ermee dat aan de wetgeschiedenis en de jurisprudentie te ontlenen is dat een klacht tegen een collega ontvankelijk is als die collega zich oncollegiaal heeft gedragen, bijvoorbeeld door zich in het openbaar laatdunkend uit te laten over de klager waardoor het vertrouwen dat patiënten in hem hebben kan zijn geschaad. Van een dergelijke uitzonderingssituatie was in deze zaak geen sprake. Niet geheel onverwacht werd de klager niet ontvankelijk verklaard, omdat er slechts sprake was van een professioneel verschil van mening, niet meer en niet minder.

Referenties
1. P. Willems, ‘Gevaar uit eigen kring. Titel arboarts leidt tot verwarring en soms tot misbruik’, TBV19 2011;6:259-263.
2. Nivel en Radboud Universiteit Nijmegen, Werkwijzer Taakdelegatie; Handreiking voor de toepassing van taakdelegatie door de bedrijfsarts in de praktijk van de arbeidsgerelateerde zorg. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, SZW, pagina 16. Februari 2019.
3. NVAB, Standpunt delegatie van taken door de bedrijfsarts (versie november 2018), www.nvab-online.nl

Gepubliceerd in: TBV, 10 2019

Nieuws & Kennis

Workshops en opleidingen
19 januari 2020

Arbo Actualiteitenmiddag

Wij waarderen onze samenwerking!  WVO Advocaten is zoals u weet specialist op het gebied van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Wij hebben…
ArbeidsrechtMarieke Hulstijn-Botter
21 januari 2020

Bent u straks de gekookte kikker?

De discussie over slapende dienstverbanden houdt de gemoederen momenteel behoorlijk bezig. Inmiddels hebben rechters zich in ten minste vier uitspraken…
ArbeidsrechtStéphanie HeijtlagerZiekte en verzuim
17 januari 2020

Gevolgen van 25% arbeidsongeschiktheid na 2 jaar

JTNDaDMlMjBzdHlsZSUzRCUyMmNvbG9yJTNBJTIwJTIzMDA4YzliJTNCJTIyJTNFJTVCcG9zdF9wdWJsaXNoZWQlNUQlM0MlMkZoMyUzRQ==JTVCc2hvd3NjYXRzJTVEVraag Onze werknemer is op dit moment langer dan één jaar arbeidsongeschikt. Wat zijn de consequenties voor ons en voor…