Managementovereenkomst kwalificeert niet als arbeidsovereenkomst

Kwalificeert de tussen partijen gesloten managementovereenkomst, na drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, als een arbeidsovereenkomst? Dat was de vraag die de Rechtbank Rotterdam op 25 augustus 2021 heeft beantwoord.

Voor de kwalificatie van een overeenkomst is het arrest dat de Hoge Raad in november 2020 heeft gewezen van belang. De Hoge Raad heeft in het arrest X/Gemeente Amsterdam verduidelijkt dat het bij de beantwoording van de kwalificatievraag van artikel 7:610 BW niet van belang is of partijen het sluiten van een arbeidsovereenkomst beoogden. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst als de werknemer arbeid verricht, loon ontvangt en er sprake is van een gezagsverhouding.

In de kwestie die speelde bij de Rechtbank Rotterdam kwam de kantonrechter uiteindelijk tot het oordeel dat geen sprake was van een gezagsverhouding, zodat ook geen sprake was van een arbeidsovereenkomst.

Wat speelde er?

De partijen in deze kwestie hebben vanaf 1 maart 2020 drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met elkaar gesloten. Met ingang van 1 januari 2021 hebben partijen een vierde overeenkomst met elkaar gesloten. Deze overeenkomst had de naam ‘managementovereenkomst’. Partijen hebben vervolgens gesprekken met elkaar gevoerd in verband met een mogelijke overname van de onderneming van de gedaagde door de eiser. Deze onderhandelingen zijn stukgelopen, waarna de gedaagde aan de eiser heeft laten weten dat de managementovereenkomst van rechtswege zou eindigen.

De eiser verzocht in deze procedure om voldoening van de gefixeerde schadevergoeding, de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding, uitbetaling van de opgebouwde, niet genoten vakantiedagen en de opgebouwde vakantietoeslag. De eiser legt aan zijn verzoek ten grondslag dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, die niet in overeenstemming met artikel 7:671 BW is opgezegd.

Hoe kwam de kantonrechter tot het oordeel: ‘geen arbeidsovereenkomst’?

De kantonrechter overweegt dat partijen het erover eens zijn dat tussen hen drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd hebben bestaan en dat zij daarna nog een vierde overeenkomst zijn aangegaan. Partijen zijn in geschil over de vraag of deze ‘managementovereenkomst’ van 1 januari 2021 kwalificeert als een arbeidsovereenkomst.

De kantonrechter stelt vast dat op 17 december 2020 aan de eiser is medegedeeld dat geen nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand zou komen tussen partijen. Waar in de eerdere arbeidsovereenkomsten was opgenomen dat het de bedoeling was ‘t.z.t. aandelen over te nemen’, is voor het aangaan van de managementovereenkomst om die reden op 23 december 2021 een intentieovereenkomst gesloten over de overname. De managementovereenkomst is gesloten voor de duur van het overnametraject, namelijk drie maanden.

In de tussengelegen periode wenste de eiser betrokken te blijven bij de gedaagde. Partijen hebben gecorrespondeerd over het inrichten van de fase tot de overname, waarbij de eiser heeft voorgesteld om zijn financiële tegenprestatie te factureren vanuit zijn reeds bestaande ‘sales-marketing bedrijfje’. Gedurende januari, februari en maart 2021 hebben partijen onderhandeld over de voorwaarden waaronder overname kon plaatsvinden. In deze overgangsperiode werkte de eiser ook bij de gedaagde op kantoor.

De kantonrechter overweegt uiteindelijk dat bij de vraag of de laatste tussen partijen gesloten overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, niet van belang is of partijen dat beoogden. Eerst moet volgens de haviltexmaatstaf worden vastgesteld wat partijen over en weer zijn overeengekomen, dus welke verplichtingen er over en weer golden, en pas daarna kan worden beoordeeld of sprake is van een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in de wet. Op grond van artikel 7:610 BW is sprake van een arbeidsovereenkomst als de werknemer arbeid verricht, loon ontvangt en er sprake is van een gezagsverhouding.

Dat de eiser arbeid verrichtte en daarvoor een financiële tegenprestatie ontving, staat volgens de kantonrechter vast. Naar het oordeel van de kantonrechter is echter geen sprake van een gezagsverhouding zoals bedoeld in artikel 7:610 BW. Partijen verhouden zich op gelijke voet tot elkaar. Daarom kan niet worden gesproken van een overeenkomst waarbij de werker gezien zijn afhankelijke positie bescherming verdient ten opzichte van de werkgever. Met name acht de kantonrechter van belang dat ten opzichte van de drie eerdere overeenkomsten de verhouding tussen partijen is veranderd. Een gezagsverhouding tussen partijen ontbreekt. Nadat duidelijk was dat de gedaagde niet verder wilde met de eiser als Sales Director, zijn partijen in overleg getreden over de overname van de gedaagde door de eiser. Partijen hebben hierbij concreet een periode van drie maanden voor ogen gehad waarbinnen dit moest worden geregeld. Het doel van partijen was dan ook niet om samen te blijven werken. In de tussengelegen periode was de eiser weliswaar werkzaam voor de gedaagde, maar de eiser gaat eraan voorbij dat dit ook in zijn eigen belang en op zijn eigen verzoek is geweest. De eiser zou immers ook de financiële en economische consequenties ervaren indien de gedaagde slechter zou presteren.

Gelet op alle omstandigheden, komt de kantonrechter tot het oordeel dat er in ieder geval ten tijde van de managementovereenkomst geen sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen partijen. Aan de vereisten van artikel 7:610 BW is dan ook niet voldaan, zodat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De verzoeken die verband houden met de gestelde onregelmatige opzegging worden door de kantonrechter afgewezen. De gevorderde transitievergoeding werd afgewezen, omdat de vervaltermijn hiervoor reeds was verstreken.

Opvallend

Opvallend in deze uitspraak is dat de kantonrechter in zijn oordeel onder meer meeweegt dat partijen zich op gelijke voet tot elkaar verhouden, en dat daarom niet gesproken kan worden van een overeenkomst waarbij de werker gezien zijn afhankelijke positie bescherming verdient ten opzichte van de werkgever. Ik ben echter van mening dat een werknemer die geen bescherming nodig heeft niet per definitie van het toepassingsbereik van artikel 7:610 BW kan worden uitgesloten.

Pilot webmodule

Bent u zelf benieuwd of een overeenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst? Probeer dan eens de Webmodule Beoordeling Arbeidsrelaties (nu nog beschikbaar als pilot).

N.B. De uitkomst van deze webmodule geeft een indicatie, hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.

Bron: Rechtbank Rotterdam 25 augustus 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:8398.

Gepubliceerd op LinkedIn, 4 oktober 2021.

Nieuws & Kennis

Workshops en opleidingen
6 oktober 2021

Binnenkort beschikbaar

JTNDaDMlMjBzdHlsZSUzRCUyMmNvbG9yJTNBJTIwJTIzMDA4YzliJTNCJTIyJTNFJTVCcG9zdF9wdWJsaXNoZWQlNUQlM0MlMkZoMyUzRQ==JTVCc2hvd3NjYXRzJTVE  
AlgemeenArbeidsrechtMarieke Hulstijn-Botter
18 oktober 2021

Betaald ouderschapsverlof voor ouders in 2022

JTNDaDMlMjBzdHlsZSUzRCUyMmNvbG9yJTNBJTIwJTIzMDA4YzliJTNCJTIyJTNFJTVCcG9zdF9wdWJsaXNoZWQlNUQlM0MlMkZoMyUzRQ==JTVCc2hvd3NjYXRzJTVETijdens ons WVO event op 5 oktober jl. hebben wij onze aanwezige relaties al kort bericht over de Wet betaald…
AlgemeenArbeidsrechtLeon Toonen
15 oktober 2021

Mag een werkgever van een werknemer verlangen om te re-integreren op andere dagen dan de gebruikelijke werkdagen?

JTNDaDMlMjBzdHlsZSUzRCUyMmNvbG9yJTNBJTIwJTIzMDA4YzliJTNCJTIyJTNFJTVCcG9zdF9wdWJsaXNoZWQlNUQlM0MlMkZoMyUzRQ==JTVCc2hvd3NjYXRzJTVEIn een recent kort geding moest het Hof Den Bosch antwoord geven op deze vraag. De werkneemster werkte op basis…